27 Sappemeer

Het wordt een mooie dag, denk ik. Mijn moeder zegt dat altijd: kijk eens naar de lucht, het wordt een mooie dag, of kijk nou toch, we krijgen vast regen. Ze ziet de bui al hangen. Ik loop naar het station. Meestal ga ik op de fiets, maar mijn fiets mag niet zes weken bij het station staan en ik wil niet op de tram met een koffer. Als ik loop gaat alles langzamer, maar ik loop langs allemaal bekende winkels op de Kleiweg dus dat is niet erg. Bij het station koop ik een kaartje: Enkeltje Groningen, alstublieft. Op het perron wacht ik. Mijn bruine koffer staat naast de bruine bank waarop ik zit.

Wanneer de trein aankomt, loop ik zover mogelijk naar voren. Ik wil helemaal voorin zitten. Dat is belangrijk, want Groningen is een kopstation. Ik stap in en ga schuin tegenover een lange man zitten. Als de trein rijdt, kijk ik naar buiten, naar de mooie dag. Eerst huizen die ik nog ken, dan kassen, weilanden, koeien, dorpjes, een jengelende spoorwegovergang. Ik zie een bezwete fietser wachten. In de trein leest de man een krant. De Rotterdammer, een gezellige krant. Even later steekt hij een sigaret op. North State, wat een sigaret, Nòòrth State. Ik ken de reclames uit mijn hoofd. Als hij zijn sigaret op heeft zakt hij wat onderuit en doet zijn ogen dicht.

Het duurt lang voor we in Groningen zijn, maar dat vind ik niet erg. In Groningen staat een enorm paard vlak voor het station: het peerd van ome Loeks – is dood, hailemaol dood. Het staat er nog fier bij voor een dood peerd. Ik zoek mijn bus: 105 Winschoten. Hij staat er al. GADO staat er op in plaats van RET. Grote Autobus Door Ommeland, denk ik. Van Lauwers zee tot Dollard tou. Als we even later wegrijden zitten er nog niet veel mensen in de bus. De bus stopt een paar keer en ruikt lekker. Ik duw mijn vingers tussen de zitting en de leuning maar vind geen pen. Eén keer vond ik een blauwe Bic en nu moet ik altijd even voelen. De bus rijdt flink door en bij een scherpe bocht schrik ik wakker uit mijn dromerijen.

In Hoogezand stap ik uit. Oom Jan staat precies daar te wachten waar de bus stopt. Hij zwaait en lacht. Ik stap uit, zet mijn koffer neer en geef hem een hand. De hand van oom Jan mist een wijsvinger. Ik voel het onmiddellijk. Hij heeft een ongeluk gehad met de zeis, jaren geleden. We lopen naar zijn auto. Het is een witte Peugeot 404. Voor de derde keer zit ik op rood leer. De 404 is de stilste auto ooit en mijn oom Jan de rustigste chauffeur. Ik kijk hoe hij rijdt. Zijn vingers losjes om het stuur, de ronde stomp wijst parmantig naar boven. Oom Jan praat er opgewekt overheen. Of ik een goeie reis heb gehad en of ik nog moest overstappen. Nee hoor, alleen in Groningen natuurlijk wel op de bus – ja zeg, dat snapt hij ook wel. En of het op school goed gaat. Ik wil helemaal niet aan school denken, dus dat gaat ook goed, zeg ik dan maar. En hoe gaat het met tante Els, vraag ik dan snel. Hij lacht, kijkt even opzij en zegt, goed hoor, jongen. Dan is het stil. Ik ben bijna op mijn bestemming. De kwekerij van oom Jan en tante Els, waar ik deze zomer zes weken zal logeren. Niet voor het eerst en niet voor het laatst. Zo jongen, we zijn er, zegt oom Jan. Hij draait met zijn grote knuisten aan het stuur en we zwenken het brede pad op tussen de kassen.

Ate Vegter, 17 juli 2015

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s