43 Singel

En nu wonen we dan eindelijk op Schiebroeksesingel 41 in Rotterdam. Stad van de haven. Stad van de heigeluiden. Sssh boem, sssh boem, sssh boem, eindeloos wordt er hier geheid en gebouwd. Deze stad wordt niet alleen uitgebreid aan de buitenkant met nieuwbouwwijken als Schiebroek en later Ommoord, maar ook aan de binnenkant waar het hart is weggeslagen en het standbeeld van Zadkine met pijn en goedkeuring over de bedrijvigheid uitziet.

De stad. De echte stad is nu dichtbij, met de Bijenkorf en V&D en de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam. Maar de stad is voor mij ook nog ver weg. Ik bedoel, school is al een eind en daar heb ik eerlijk gezegd mijn handen vol aan. Niet zozeer aan het leren of de lessen, maar wel vraag ik mij altijd weer af waar ik bijhoor en bij welk groepje ik ga staan en wie ik leuk vind en wie mij leuk vinden en dat elke dag ’s morgens, ’s middags en na schooltijd, met wie ga je spelen en voetballen en schaken en plaatjes draaien, maar dat laatste komt eigenlijk pas later. Adamo, met Tombe la Neige, draag ik als speldje op mijn trui in de winkel van Jamin – ik ben dan al tien en meneer Jamin is er nog niet – aan de Teldersweg, recht tegenover de school, waar we grote blokken ijs kopen in de zomer en anders polkabrokken, duimdrop, veterdrop en zwart op wit.

In het eerste jaar hebben mijn broer en ik samen een kamer maar dat gaat al heel snel mis, we maken steeds ruzie en omdat ik twee jaar jonger ben mag ik natuurlijk nergens aankomen, wat ik ook wel begrijp, want alles wat ik aanraak gaat in die tijd kapot, soms. Nu heeft mijn vader een heel klein extra kamertje laten maken als een soort laboratorium, met zijn opgroeiende zoons als kleine, veelbelovende, briljante scheikundigen in gedachten, vermoed ik. Er is een klein gootsteentje met kraan en een echte gaskraan, zodat wij daar op zolder allerlei scheikundige proeven kunnen doen. Het is er nooit van gekomen en na een jaar wordt dat kleine lab zonder ramen mijn kamer. Mijn vader heeft het bed muurvast ingebouwd bovenop het wastafeltje en onder de kraan. Als ik die opendraai wordt mijn bed dus kletsnat. Dat doe ik niet maar het kan wel.

Ik vind het veel spannender om de gaskraan, die onder het bed zit, open te draaien – en dat doe ik wel – wat vervaarlijk suist, net zolang tot het echt begint te stinken en ik niet meer verder durf. Dan draai ik hem snel weer dicht en zwaai wild met mijn zakdoek om de geur te verdrijven want als mijn moeder het merkt dan ben ik nog niet jarig. We hebben in die tijd nog geen centrale verwarming en ’s winters is het dan ook roetkoud op zolder en staan de bloemen op de ramen van de overloop waar wij ons moeten wassen. Soms is het zo koud dat de kranen op zolder worden doorgeblazen en afgesloten, zodat zij niet meer kunnen bevriezen. Dan mogen we ons beneden wasen in de badkamer naast de slaapkamer van mijn ouders. Het is vreemd te beseffen dat dat allemaal zo jaren lang heeft geduurd zonder enige verandering. We worden alleen maar ouder en ouder, maar heel lang blijft alles eigenlijk hetzelfde.

Ate Vegter, 3 augustus 2015

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s