87 Fruit

Ik loop de tuin in. In de tuin staan zeven bomen. Vijf appelbomen en twee perenbomen. De tuin is groot. Vooraan wat smaller door de garage maar achteraan zo breed als de achterkant van de ambachtsschool, waaruit op zomerse dagen, als de zon hoog aan de hemel staat en de lucht trilt van warmte en stilte, het gierende geluid van een cirkelzaag opklinkt, zodat de vogels verschrikt opvliegen. De perenbomen staan vooraan. Er groeien stoofperen aan. Ze zijn te hard om zo te eten, maar zacht gestoofd zijn ze rood en lekker. Eigenlijk is het een stoofperenboom, maar dat zegt niemand.

Op zondag, wanneer we wijn bij het eten drinken, eten we als toetje vaak stoofpeertjes met yoghurt of met custard. Als ik jarig ben eten we Haagse Bluf. Dat vind ik het lekkerste wat er is. Het volle romige verandert in niets, als je er een hap van neemt. Maar peertjes zijn ook lekker. Een peer heeft ook iets feestelijks – door z´n vorm. Een appel is meer voor door-de-week, als het huis ruikt naar schone was, of naar strijken, kliekjes, de markt, makreel of kapucijners met spek, waar mijn vader altijd zo dol op is. Een echte appel is een goudrenet en een echte peer is een stoofpeer, want zo groeien ze aan de bomen in onze tuin, in de eeuwige middag, naast de garage. Appels en peren zijn er altijd. Ze zijn er in overvloed, met een harde schil en een steeltje, waar soms nog een blaadje aanzit. Ze zijn gaaf of hebben een beurse plek van het vallen. Ze zijn bijna hetzelfde en toch heel verschillend. Als man en vrouw zijn ze. Juist daarom kun je ze goed met elkaar vergelijken.

Ik loop naar de garage en ga door de zijdeur naar binnen. De garage lijkt erg leeg, nu de Opel Olympia van mijn vader er niet staat. De garage en de Opel, waarmee je zelfmoord zou kunnen plegen met een draaiende mortor en dichte garagedeuren. Met een slang moet je dan de uitlaatgassen de auto in leiden, dan gaat het sneller. Langs de garagewand staan dozen met wijn en limonade. Aan de muur hangen plastic druiventrossen en ander etalagemateriaal. Ik loop langs de dozen naar de dubbele deuren en duw ze open. Licht straalt naar binnen. Ik doe ze weer dicht en duw ze weer open. Ik loop naar buiten en sluit de deuren achter mij. Van de garage naar de weg, langs ons huis, loopt het grindpad, waarop de banden een knerpend geluid maken als mijn vader thuiskomt. Ik loop over het grind naar de weg en sla links af. Ik steek schuin de weg over naar de groenteboer. Ik voel met mijn hand in mijn broekzak naar het geld. Het is wel genoeg, denk ik. Ik ga de winkel binnen en koop een perzik.
– Een perzik? vraagt de groenteboer verbaasd, want hij kent mijn moeder.
– Om op te eten, zeg ik. Ik leg het geld op de blauwe toonbank.
– U hoeft hem niet in te pakken.
– Deze is lekker rijp, zegt de groenteboer. Hij geeft mij de perzik in mijn hand en kijkt mij daarbij iets langer aan dan ik wil. Dan ren ik naar buiten.

Een perzik is heel anders dan appels en peren. De huid van een perzik is zo zacht als de huid van een bil. Een perzik moet ik kopen, want die groeit niet aan de bomen in onze tuin. Een perzik kost geld. Maar dat betekent ook dat ze echt van mij is, zo lang als het duurt. Voor even mag ik er alles mee doen – bewaren, uit m´n zak halen, nog even wachten, in m´n handen laten rollen, zachtjes knijpen, zachte plekjes opzoeken, mijn duim en wijsvinger in de beide deukjes drukken, zacht en steviger, zacht en steviger, harder knijpen, maar toch beheerst, zoals je in wol knijpt, natuurlijke onvolkomenheden bestuderen en voelen, juist daar, met aandacht en vertedering en woede, mij verbazen over de structuur van de huid van dichtbij, met al die haartjes, waardoor de huid zo onvoelbaar zacht is, maar waardoor ik de huid ook nooit aanraak. Ik zet mijn nagels erin, heel voorzichtig, zodat de huid niet scheurt. Ik geef iets meer kracht, de huid scheurt en ik zie een klein streepje geel tussen het rood. Nu de perzik beschadigd is, moet ik hem opeten. Ik lik het vocht op, dat over de rug van mijn hand loopt en ik proef de zoete, weeïge smaak, die soms onverwacht scherp, maar vaak ook heel zacht is. Dan veeg ik m’n mond en handen af aan m’n zakdoek, altijd weer een zakdoek, die dan later hard en hoekig is.

Ik loop naar huis met een doffe gloed in m’n hoofd, die ik door het trekken van grimassen kan laten verdwijnen als ik de bijkeuken binnenkom.
– Wat is er met jou aan de hand, zegt mijn moeder. Ik vind het spannend dat ze iets aan mij ziet.
– Je kijkt zo raar, zegt ze, terwijl ze met hoog opgetrokken wenkbrauwen en speurende ogen door haar leesglaasjes mijn gezicht en met name mijn kleren inspecteert.
– Ik heb fruit gegeten, zeg ik, fruit is gezond.
– Ga de tafel maar dekken. Vader komt zo thuis. Ik heb fruit gegeten, herhaalt ze dan mijn woorden, terwijl ze hoofdschuddend een kastje opentrekt.

Ate Vegter, 17 september 2015

http://www.atevegter.wordpress.com

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s