167 Moeder – 5 (slot)

Dan zwaait de rechter deur open. De dominee komt binnen. Mijn vader er vlak achter en dan de rest. Ze lopen in een behoorlijk tempo. Het orgel valt stil. Ik ga rechtop zitten. Mijn vader schudt de hand van de dominee. Rustig maar met genoeg vaart klimt de dominee de zes treden van de kansel op. Als zijn hoofd boven de Statenbijbel verschijnt, staat iedereen op. Hij kijkt de gemeente rond en heft dan zijn rechterhand, de palm naar mij en de anderen toegekeerd:
‘De Heere zegene en behoede u. De Heere doe zijn aangezicht over u lichten. De Heere verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede… Amen.’
Iedereen gaat weer zitten.
‘Goedemorgen gemeente. Laten we Gods naam prijzen met de woorden van psalm 33, het eerste vers.’
Nu gaat ook de dominee zitten en kan ik alleen zijn zingende hoofd zien. Het is vreemd hem zo zonder sigaar te zien, al begrijp ik natuurlijk wel dat je op de kansel niet kunt roken. Meestal als hij bij ons op bezoek is, of wij bij hem, rookt hij grote sigaren, samen met mijn vader. Als hij een trekje genomen heeft, komt er eerst een dikke wolk uit zijn mond, dan lepelt hij met zijn tong de rook weer naar binnen. Echt – tong naar buiten, rook meenemen, tong naar binnen, alle rook weg! Even later komt de rook weer naar buiten, als een bedachtzaam sliertje, of in grappige blokjes, als hij praat. Als hij op de kansel staat en preekt mis ik de rook en de tong.

Even later leest hij de tien geboden. Eigenlijk zijn het acht verboden en twee geboden. Je hoeft dus maar twee dingen te doen voor God, bedenk ik. Het verbaast me, maar je moet de sabbat gedenken en je vader en je moeder eren, meer niet. Er staat niet eens dat je God moet eren of dienen. Je mag alleen geen ander goden voor zijn aangezicht hebben.
Ik streel de zachte bontjasarm van mijn moeder, zou dat genoeg eer zijn? En ik ben trots op mijn vader, omdat hij altijd alles goed kan uitleggen, maar of dat genoeg is, weet ik ook niet. Moeilijk is het in elk geval niet. Maar ja, iets niet doen is misschien wel moeilijker dan iets wel doen. Nadat we weer gezongen hebben, worden de collectes gehouden. De diakenen lopen door de kerk met de zwarte zakjes, die ze op de hoek van de achterste rij afgeven. Dan lopen ze langzaam naar voren. Ik mag natuurlijk niet omkijken, maar kan het net genoeg doen om het ritueel naderbij te zien komen. Gespannen zoek ik in mijn zakken naar het geld en de pepermunt. Ik schuif de dubbeltjes langzaam tegen elkaar in mijn broekzak. Dan pak ik de stuiver en een pepermunt en knijp mijn vuist stevig dicht. En wacht tot de eerste collectezak op onze rij is. Ik pak hem aan van mijn moeder, laat de stuiver er in vallen en geef hem aan het meisje in de witte blouse. In de tweede zak gaat het pepermuntje. Het enige echte offer, gespaard uit mijn mond. Nu komt het moeilijkste. De derde collectezak. Ik pak hem aan, doe mijn hand erin en laat tegelijkertijd de onderkant van de zak tegen mijn knie stoten. Het rinkelt zachtjes. Zo steel ik mijn geld bij elkaar. Iets niet doen is vaak moeilijker dan iets wel doen.

Pas veel later durf ik de twee dubbeltjes in mijn broekzak heel zacht aan te raken, bang dat ze met ook maar het geringste geluid mijn moeder zullen alarmeren. Mijn ogen dwalen door de kerk en kijken naar de kleding en de kapsels van de mensen. Net als op de markt. Maar dan iets netter en iets minder verwaaid. Ik begin me te vervelen, word onrustig en ga zitten draaien. Mijn moeder stoot mij veelbetekenend aan. Ze stoot me nooit aan zonder betekenis. Soms moet ik iets doen, meestal iets nalaten. Dan kruip ik opnieuw tegen mijn moeder aan en verstop mijn neus in het warme bont. Ik probeer mijn onrust te bedaren en luister naar mijn eigen ademhaling. Ook voel ik een zacht bewegen van de ademhaling van mijn moeder. Zo kom ik tot rust.

De preek is afgelopen. Er gaat een zucht door de kerk, gekuch, beweging, geblader. We gaan weer zingen. De tere alt van mijn moeder trilt in mijn schouders. Ik durf niet te hard te zingen, want dan hoor ik haar stem niet meer. Wanneer we even later naar buiten lopen, staat er een felle winterzon aan de hemel, alsof God goedkeurend meekijkt. Ik sluit mijn ogen en zie een rode waas. Ik laat de warmte langzaam naar binnen stromen. Zolang ik de bontjas van mijn moeder voel en haar arm omsluit hoef ik mijn ogen niet te openen.

Ate Vegter, 7 december 2015

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s