301 Alleen naar huis

Aan het eind van de middag haal ik Sofieke op van de naschoolse opvang, net als elke maandag en dinsdag. Ik zie haar bij binnenkomst en wanneer ze mij ziet vliegt ze achter een pilaar om zich te verstoppen. Ik zoek en zoek en vind haar uiteindelijk door onder grote hilariteit om de pilaar heen te lopen. Hoe envoudig is kinderpret. We verzamelen tassen en schoenen en staan op het punt naar huis te gaan. Dan vraagt ze:
– Mag ik met Tamzin alleen naar huis lopen?
Mijn maag verkrampt. Ik vind dat soort expedities veel enger dan zij. Het is maar 7 minuten lopen en ze kent de route goed, maar ik vind het doodeng om twee kinderen van zeven alleen naar huis te laten lopen. En het gaat ook niet altijd goed, want de vorige keer kregen ze onderweg ruzie over de vraag wie wie het eerst naar huis zou brengen en bleven ze steken bij de Weezenlandbrug. Ik haal adem en geef toestemming. Ze springen samen drie keer in de rondte, zo leuk vinden ze het en mijn beloning is een dikke knuffel van Sofieke.
– Maar niet haspelen onderweg en direct naar huis. Hoe loop je?
– Nou gewoon, onder de weg door en er niet overheen.
– En dan?
– En dan rechtdoor.
– En dan?
– Dan bij de steeg rechts.
– Bij de brug bedoel je.
– Ja, bij de brug. Wat is haspelen?
– Dat weet ik ook niet, maar zolang je het niet doet hoef je ook niet te weten wat het is. Kom je direct naar huis?
– Ja papa, maar dan ga jij nu met de auto, hè?
– Ja, ik ga nu.
Ik ga, zwaai en kijk daarna niet meer om. Op het schoolplein vraagt een meisje dat ik niet ken:
– Waar is Sofieke?
Dat vind ik opmerkelijk. Ze ziet kennelijk dat ik alleen naar huis ga en wil weten wat er aan de hand is. Ik vertel het haar. Ik rij naar huis, parkeer de auto en begin aan het konijnenhok, dat ik elke dinsdag schoonmaak. Het huishouden neemt z’n gewone gang. Ik kijk op de klok. Ze zijn er nog niet. Ik ga verder. Ik kijk op de klok. Ze zijn nu twintig minuten onderweg. Ik word ongerust, loop naar buiten en loop dan weer terug het huis in. Ik moet er niet achteraan gaan. Rustig afwachten. Het komt goed. Ik ga verder met het konijnenhok.
Dan gaat de bel, dringend en onrustig. Even slaat angst door mijn hart en zie ik twee politieagenten op de stoep staan. Ik weet dat het niet zo is. Ik loop naar de achterdeur en zie Sofieke en Tamzin in alle rust door de steeg naar binnen wandelen. Er is niets aan de hand. Ja toch, er is iets met haar vinger.
– Wat is er met je vinger?
– Tussen de bel.
– Doet het pijn?
– Ja.
Ik geef er een kus op. Tamzin neemt afscheid en gaat naar huis. Sofieke gaat Squla doen. Er is niets aan de hand. Waarom heb ik me zo druk gemaakt?

Ate Vegter, 19 april 2016

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s