382 Alles moet mee 1 – 3

Ik loop van het huis naar de hoek van de straat. Ik loop van de hoek naar het huis. Naar de hoek en weer terug. Acht keer loop ik op en neer. Dan stop ik en wacht. Ik kijk. De vroege ochtendzon prikt in mijn ogen en ik doe met mijn hand een petje na. Nog niks te zien. Dan stap ik van de stoep het grindpad op. Het grind knerpt onder mijn voeten. Dit is van ons, denk ik. Ik doe een stap naar achteren en sta weer op de stoep. Dit is niet van ons. Ik loop naar de andere hoek, waar de bakker zit. Ik ruik het versgebakken brood en snuif de geur zo diep mogelijk op. Ik loop weer terug. Af en toe kijk ik om, om maar niets te missen, maar hij is er nog niet. Nu weet ik niet meer wat ik zal doen.

Binnen is iedereen druk bezig met opruimen en inpakken. Eigenlijk moet ik ook helpen, maar ik onttrek mij aan de drukte. Ik wil het huis niet meer in. Ik ga op de stoep tegen het hek zitten en druk mijn rug tegen de harde spijlen. Ik kijk naar mijn kale schoenen, waarvan de hielen pijnlijk in mijn vlees drukken als ik mijn voeten schrap zet. Zo blijf ik onbeweeglijk zitten. De kou van de stoeptegels trekt in mijn lichaam.

Als even later de verhuiswagen komt aanrijden, sta ik zo snel op dat een zwarte duizeling door mijn hoofd slaat. Ik buig voorover met mijn handen op mijn knieën. Dan kom ik langzaam weer overeind. Dat is beter. De wagen stopt vlak voor mij. Ik kijk naar de cabine met mannen, waarvan er één half vrolijk zijn hand opsteekt. Op de zijkant van de laadbak lees ik de grote letters:

H.VOS
verhuizingen

Ik wil dat de verhuiswagen een schaduw over ons huis werpt, maar de zon staat al te hoog en de schaduw komt niet verder dan halverwege de stoep. En terwijl de mannen luidruchtig uit de cabine springen, loop ik naar de enorme achterband, die tot mijn schouders reikt. De band voelt verrassend warm aan. Ik leg mijn arm boven op de band, zodat ik met mijn hand de band erachter kan voelen, die ook warm is. Ik voel mij als een veearts die haar arm in een zwangere koe steekt. Omdat mijn hand zover ‘in’ de vrachtwagen zit, voel ik ook gevaar: de wagen mag nu niet wegrijden. Ik voel spanning, hoewel ik weet dat er niemand achter het stuur zit. Ik trek mijn hand terug en ren weg in de richting van de school. Ik hoef niet naar school vandaag. Nooit meer hoef ik hier naar school. Ik hou mijn pas in en loop langs het Shell-station, waar ik de benzinepompen zo dicht mogelijk passeer, terwijl ik de zuivere geur van benzine diep in mijn neusgaten trek. Nooit meer naar school. Terwijl je nu net zo mooi begint te schrijven, ga je verhuizen, zei de juf nog. Ze gaf mij nooit meer dan een vijf voor schrijven. Ja, zei ik, naar Rotterdam, naar de Euromast en de haven. We hebben een huis aan een singel gekocht. Met een klein kippentuintje, dacht ik, want dat had mijn broer gezegd en die had het gezien.

Ate Vegter, 3 juli 2016

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s