864 Wobbe Vegter 19 sep 1945 – 26 nov 2017

Mijn broer zit al aan tafel wanneer ik ´s morgens de kamer binnenkom. Hij eet een boterham met jam en maakt ondertussen zijn nagels schoon. Hij is lang en mager en heeft lange, bleke handen met grote nagels, waaraan nu één voor één een wit randje verschijnt. Af en toe spreidt hij keurend zijn vingers om het resultaat van zijn werk te bekijken. Tussendoor neemt hij steeds een hap van zijn boterham. Hij doet dit elke morgen in alle rust. Ik vind het een mooi ritueel om naar te kijken. Ik snap niet dat hij er zo kalm de tijd voor kan nemen, want zelf ben ik altijd gehaast. Ik eet een boterham met kaas en drink wat hete thee. Ik gun mijzelf nauwelijks de tijd om te gaan zitten, laat staan om mijn nagels schoon te maken. Mijn broer werkt. Hij zit ’s morgens keurig in het pak aan tafel, alsof hij niet in de woelige drukte van ons gezin thuishoort. Voor mijn gevoel zit hij al op z’n werk. Ik sta op en schuif de stoel onder de tafel. Als ik het niet doe zou mijn broer er iets van zeggen en het is nog te vroeg om met hem in discussie te gaan. Ik loop naar de gang en trek m´n jas aan. Ik pak mijn schooltas en controleer de inhoud. Ik geloof dat ik alles heb. Ik heb niet veel aan mijn huiswerk gedaan, maar met een beetje geluk kom ik de dag wel door. Buiten trek ik de rits van mijn jas dicht.

Dit is het begin van een verhaal dat ik schreef in de jaren negentig, Het verdere verloop van het verhaal*, doet er in dit verband niet toe. Het gaat om het beeld van Wobbe aan tafel, vroeg in de ochtend, klaar voor zijn werk bij Volmac, waar hij gemakkelijk miljonair had kunnen worden als hij daar was gebleven, zo vertelde hij mij afgelopen voorjaar nog. Dat beeld van die keurige man, dat zo’n contrast vormt met de drukte en de chaos van ons gezin, staat mij nog altijd haarscherp voor ogen.

Mijn eerste herinneringen aan hem zijn diffuser en hebben te maken met groene en blauwe fietsen, een krantenwijk, een koelkast en een schaar en bloed. Dat was in Apeldoorn. In Rotterdam stuurt hij mij soms om negen uur naar bed, omdat hij later rustig wil slapen. Daar ben ik niet blij mee, want daarmee maakt hij de slapende hond van mijn moeder wakker die hem onmiddellijk bijvalt. Boos en gefrustreerd ga ik dan naar boven. Wobbe heeft niet zoveel op met mijn ongedisciplineerde, puberale opstandigheid en maakt daar tot genoegen van moeder vaak korte metten mee. Het is dan ook een groot wonder dat ik een paar jaar later, wanneer Wobbe en Marja pas getrouwd zijn en aan de Bergweg wonen, met de nodige aarzeling de hoge trap van dat huis opklim, steun zoekend bij het dikke touw dat als lange leuning dient, boven kom en daar allerhartelijkst ontvangen wordt door diezelfde Wobbe. De strenge grote broer is weg. Hier staat een gastvrije jonge man die mij welkom heet in zijn nieuwe huis. En zo voelt het onmiddellijk anders en goed. Wobbe is steeds heel gastvrij en ik voel mij altijd welkom bij hen thuis. Of het zijn gelukkige huwelijkse staat is of het feit dat ook hij eindelijk onder de druk van een groot gezin uit is weet ik niet, maar het is een wereld van verschil. Van de jaren daarna herinner ik mij nog goed de pakjesavonden in de splitlevelwoning aan de Mezenhof in Ouderkerk aan de IJssel.

Wobbe is altijd een scherpzinnige broer geweest. Hij houdt van de moeilijkste vraagstukken en wil ons graag om de tuin leiden. Iedereen kent zijn hotel waar je failliet gaat en zijn broodje-zeemeeuwverhaal. Ooit stelt hij ons de volgende vraag: ‘Wanneer je iedereen in het telefoonboek opbelt, heb je dan iedereen gebeld?’vraagt hij ons op zijn onschuldigst. ‘Natuurlijk!’ roepen wij in koor, ‘Als je iedereen belt, heb je iedereen gebeld! Dat is nogal wiedes!’ Wobbe lacht triomfantelijk en zegt heel droog: ‘Volgens Bartjens heb je dan alleen de mensen gebeld, die telefoon hebben.’ Ja, hallo, hè, hè, daar kunnen wij niet tegenop natuurlijk, dat begrijpt iedereen. En zo heeft hij altijd wel raadseltjes en sommen en wiskundige vraagstukken om ons eenvoudige leven ingewikkeld te maken. En behalve met Willem Bartjens heeft hij ook altijd een bijzonder lijntje met mijn moeder, die het verschrikkelijk vindt wanneer Wobbe en Marja naar Zuid-Afrika gaan emigreren, maar in later jaren daar een paar keer met veel genoegen op bezoek gaat. Het zijn mooie jaren.

Maar de jaren gaan voorbij en de tijd vliegt en wij vliegen mee naar Zuid-Afrika voor een laatste bezoek. We weten dat heel goed zonder het uit te spreken. Het zijn mooie dagen met goede gesprekken en ik leer Wobbe toch nog van een ander kant kennen, wanneer hij in de auto van Kaapstad naar George ongewoon openhartig vertelt over vroeger en over wat hem beweegt, alsof hij net als ik beseft, dat we straks, wanneer we na de lange reis aankomen, nooit meer echt zullen praten en alleen nog gezellig zullen kletsen en eten en spelletjes doen. Het is een prachtige rit, waarbij het schitterende landschap ons lijkt aan te moedigen, wanneer we even niet durven.

En zo komt het slot en is Wobbes leven voorbij. Hij die als tweede geboren werd in onze rij gaat ons als eerste voor op weg naar het einde.

Ate Vegter, 28 november 2017
www.atevegter.wordpress.com

*) zie 146 en 147

2 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s