1252 Piep en pap zitten vast

‘Good morning, officer, sir! What kind of building is this?’ Ik wist natuurlijk wel dat dit het gebouw van de Verenigde Naties was, maar wilde hem graag de ruimte geven om zijn kennis en gastvrijheid te etaleren.’
‘Yes sir, what a good question is that. All I am saying is that this building is to give peace a chance. You see the words from the prophet Isahaj written on the wall, sir. As you know it must be a complete forgery inside as there are more than enough swords and spears in the world to be beaten into plowshares and pruning hooks.

Ik knikte hem vriendelijk toe want ik kon zijn redenering alleen maar bevestigen en ach, hij stond hier ook maar de hele dag, dus dan ga je wel een beetje voortborduren op zo’n tekst, wist ik van de vele preken die ik in mijn leven gehoord had.
‘Is that your daughter, sir? What a lovely girl. I am glad you found her back, sir,’ zei hij nog vrij achteloos, waarna hij zich wendde tot een andere toerist die hem aansprak. Ik stond te versteld om te reageren en keek hem met open mond na, terwijl hij geanimeerd stond te babbelen. Hij had dus ook herinneringen aan het gebeuren, net als ik. Ik begreep er geen bal van hoe dat kon. Ik moest het de professor vragen, maar eerst even binnen kijken.

‘Kom Piep, we gaan naar binnen. Even kijken in de smederij van de wereldvrede. Wat een mooie agent was dat hè?’ Maar Piep vond het helemaal niet grappig want ze had van ons gesprekje in het Engels niet veel begrepen en bovendien wilde ze maar één ding:
‘Nee, papa, ik wil echt niet naar binnen. Het is een stom gebouw en veel te groot. En het is veel te druk. Kijk eens wat een lange rij er voor de ingang staat. Daar heb ik echt geen zin in. We gaan naar huis.’ Ze trok ongeduldig aan mijn arm, wat mij wel irriteerde, maar tegelijkertijd keek ik naar de rij gasten die voor de majestueuze deuren stond en ik begreep onmiddellijk wat ze bedoelde. De culturele behoefte om mij te verdiepen in het acute vraagstuk van oorlog en vrede zonk ook mij in de schoenen.

‘Professor, hoe zit het? Denkt u dat we nog een sprongetje naar het WTC kunnen maken of moeten we alles lopen?’
De professor keek verstoord op, omdat ik hem in zijn belangrijke werkzaamheden op de telefoon onderbrak:
‘Heer Pap, nogmaals. Wij kunnen op geen enkele manier reizen in de ruimte. Het enige waarover wij nu beschikken is de mogelijkheid om te reizen in de tijd. Dat zich daarbij verplaatsingen toevoegen is slechts ongezocht gewin.’
Ik had het niet mooier kunnen zeggen.
‘Maar ik begrijp dat we wel een stukje terug kunnen, zodat we weer bij de schotel terecht komen?’
‘Dat is zeer wel mogelijk, wanneer u mij even laat geworden, als u mij toestaat.’
Sommige mensen worden steeds vriendelijke naarmate ze meer geïrriteerd raken en dat leek mij hier ook het geval. Ik liet hem nog wat knutselen en keek om mij heen.

‘Kijk Piep, daar zitten nog wat mensen die ook een zwaard in de aanbieding hebben. Het lijkt op een hakenkruis, wat je daarachter ziet, maar de stokjes gaan precies de andere kant op. Ik denk dat het indianen zijn, want die gebruiken de swastika al heel lang.’ Ik had eigenlijk geen idee hoe het zat, maar het leek mij wel een plausibele verklaring en bovendien moest ik haar toch het een en ander bijbrengen ook al interesseerde het haar niets.

‘Kunnen we nou naar huis, pap? Dit is echt zo saai. Wil je me tillen?’ Ik tilde haar op en keek naar de professor. Die keek nu toch wat opgewekter. Hij zag dat ik naar hem keek en lachte zowaar:
‘Het gaat lukken, heer Pap. Ik geloof dat ik het gevonden heb. Hou de kleine Piep goed vast dan gaan we vertijden, als ik het zo mag zeggen. Zo… 4789, enter!’

Het was niet eens een flits of een sprong of een ingewikkelde reis langs de sterren, zoals ik dat van professor Barabas gewend was. We stonden gewoon op het dak van het WTC. We zagen de deuren naar de trap die naar het observatorium leidde en verder genoten we van het prachtige uitzicht, dat zonder concurrentie het mooiste was wat ik ooit gezien had. Alles leek volkomen normaal.
‘Waar is de vliegende schotel, papa?’ Ik keek nu gealarmeerd om mij heen. Hier had Piep wel een punt. We waren dan weliswaar op de juiste plek beland, maar ons vervoer naar huis was er niet. Ik zette Piep op de grond en keek naar de professor, maar hij wist het duidelijk ook niet: ‘Wellicht heb ik toch ene kleinvergissing in de berekening gemaakt.’
Dat was alles wat hij zei. We konden geen kant op.

Ate Vegter, 7 december 2018

Lees ook: Rotterdam 1962:
www.atevegter.wordpress.com/52

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s