1450 Geen uitzondering willen zijn

‘Je maakt voortdurend geluiden,’ zegt hij.
‘Huhuh,’ hum ik, ‘Hoe bedoel je?’
‘Je humt en je gromt en murmelt en neuriet aan de lopende band.’
‘Het moet eruit. Weet ik veel. Als het niet gesmeerd loopt, krijg je bijgeluiden.’
‘Ik mag niet neuriën van mijn vrouw.’
‘Je hebt een heel verstandige vrouw. Neuriën belemmert het denken, zegt Remco Campert. Het schijnt zelfs dat mensen onbewust neuriën omdat ze nergens over willen nadenken. Sinds ik dat gelezen heb en ik mijzelf op neuriën betrap, kap ik er gelijk mee. Onzin natuurlijk. ‘

We zitten bij Van Rossum in Woerden. Die naam zal mijn broer goed doen. We zitten hier voor het eerst. De ruimte is groot en leeg, vol met gedekte tafels. Klaar voor de gasten die vanavond komen eten. Nu zit iedereen buiten, behalve wij. Het is heerlijk om hier in de luwte te praten.

Soms worden we gestoord door de bediening, die bij voortduring wil weten wat wij willen drinken en anders onderling als jonge veulens met elkaar dollen. Wij oude mannen hebben rust nodig om tot de kern te komen. Zij beseffen dat gelukkig nog niet. We gaan het ze niet zeggen.

‘Er is een zin, die mij is bijgebleven uit een boek van Gerbranskyio.’ – ik versta de naam niet goed – ‘die zin heeft mij geraakt en daar wil ik graag over schrijven.’
‘Huhuh.’
‘Hij zegt in dat boek dat hij geen uitzondering meer wil zijn. Dat hij het verlangen geen uitzondering meer te willen zijn wil loslaten. Dat herken ik.’
Ik kijk hem aan. Zij ene oog glundert.
‘Je bent geen uitzondering,’ zeg ik dan. ‘Iedereen heeft wat. Jij mist een oog, ik mis een prostaat, mijn vader dronk en mijn moeder had een bult. Iedereen is getekend door het leven.’
‘Ik zou er graag een verhaal over schrijven.’
‘Dat is een goed plan.’
‘Ik ken weinig mensen die zo weinig oogcontact maken, wanneer ze praten,’ zegt hij dan.
Ik voel mij betrapt, kijk hem aan, maar hou dat alleen vol zolang ik luister. Hij heeft gelijk.
‘Als ik je aankijk kan ik niet goed formuleren.’
Hij neemt een slok. Ik ook. Het bier is op.

Lieve man. Wat ben je toch een vriend. We kennen elkaar nu een jaar of zeven, denk ik. In het begin had je nog een kunstoog en wist ik niet naar welk oog ik moest kijken. Nu is dat duidelijker. Je vertelt dat je sinds vier jaar geen oog meer draagt, omdat het er steeds uitrolde. Dat is op de dag af vier jaar geleden, precies toen je mij aanspoorde te gaan schrijven, ongeveer. Toen je je oog losliet heb je mij aangezet tot kijken.

We stappen op, rekenen af en gaan naar de Chinees om iets te eten. De gedekte tafels blijven intact.

Ate Vegter, 22 juni 2019

De februaristaking:
www.atevegter.wordpress.com/250

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s