2002 Jongensstreken

Ik stap in de tram, lijn tien richting Spangen. We rijden de stad in. Ik stap uit op de Coolsingel, bij Dankers. Daar luister ik naar de laatste elpees, Cream, Golden Earrings, en Their Satanic Majesties Request van de Rolling Stones, dromerige glijmuziek. Ik streel de hoes met geribbeld profiel, waardoor de afbeelding 3D-achtig beweegt. Ik ga weer naar buiten en loop verder de stad in, dwars door de Bijenkorf, richting Ter Meulen. Daar is op de begane grond een grote platenafdeling met alle nieuwe singletjes. Een paradijs voor jongens van veertien. Ik begraaf mij zowat in de bakken en hoor van alles in mijn hoofd.

Dan zie ik hem. Hij staat even verderop. Regenjas, bril, scherpe blik. Hij kijkt naar mij, houdt mij in de gaten. Hij ziet niet dat ik dat zie. Ik wend onmiddellijk mijn blik af en struin verder in de bakken. Ik gedraag mij verdacht, draai mij dan plotseling om en loop gehaast weg. Hij volgt. Hij denkt dat hij mij volgt, dat hij mij aan zijn touwtje heeft, maar hij weet niet dat ik hem lok. Dat hij aan mijn touwtje zit. Ik loop naar de roltrap en ga naar de eerste verdieping. Hij versnelt zijn pas en komt achter mij aan. Doet een paar stappen op de roltrap en staat dan pal naast mij.
– Loop jij even met mij mee?
– Huh? Ik? Waarom ik?
– Loop maar even mee.
– Oké.

Op de eerste aangekomen loopt hij weer terug naar de roltrap naar beneden. Ik volg ademloos. Hij raakt mij niet aan maar houdt de afstand tussen ons angstvallig klein, loopt dan tussen twee stellingen door naar een muur, waar opeens een deur in blijkt te zitten. Die had ik niet gezien. We komen achter de coulissen in een personeelsruimte, een voorraadruimte. Hij sluit de deur achter mij en kijkt mij doordringend aan:
– Je jas, maak je zakken leeg.
Ik doe wat hij zegt, sleutels, zakdoek, portemonnee, ik weet dat ik niets gedaan heb. 
– Waar zijn de plaatjes?
– Welke plaatjes?
– Mij hou je niet voor gek vriend, ik heb je wel gezien.
Ik zet mijn onschuldigste gezicht op.
– Ik heb toch niks? Mag ik weer weg? Mijn moeder wacht buiten. Ze wordt ongerust.
Ik weet niet waarom ik mijn moeder erbij haal, maar tegen mijn moeder kan niemand op. Hij bromt, kijkt nog eens goed en trekt dan met een ruk de deur open: 
– Denk eraan, vriend, ik hou je in de gaten. Laat die plannetjes van jou maar achterwege. Je bent gezien en de volgende keer ben je d’r bij. En nou wegwezen!
Ik duik onder zijn arm door en ben weg. Ik voel een grote, warme stroom van triomf en overwinning. Alles is gelukt. Mijn blik glijdt over de platenafdeling maar ik loop direct door naar buiten.

Voor Ter Meulen staat een mannetje met stroopwafels. Hij staat er elke zaterdag. Ik koop voor tien cent een zakje koekkruimels. Heerlijk zoet, zoete heerlijkheid. Dan loop ik terug naar de tram, lijn tien, die later lijn zes zal worden, maar zover is het nog lang niet.

Ate Vegter, 14 december 2020

2 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s