2086 Terug naar Kornhorn

In Kornhorn is er niet veel veranderd. Het mooie witte huisje van opa en opoe staat er nog net zo. Ik zie hem in de deuropening staan, een pijp rokend, kijkend naar de hemel wat het weer zal worden vandaag. Ik draai de Volvo en parkeer hem zo voor het huis dat de plastic afvalzakken die voor het huis op straat staan niet op de foto komen. Ik maak wat foto’s en loop dan naar twee vrouwen toe, die bij het huis ernaast staan te kletsen. Een hond begint te blaffen.

‘Hij blaft alleen, denk ik?’ zeg ik tegen de dames, terwijl ik op hen toeloop. ‘Woont u hier al lang?’ ‘In Kornhorn of in dit huis?’ vraagt de jongste, terwijl ze naar het huis van opa en opoe wijst. Ik realiseer me dat het niet de buurvrouw is maar dat ze in ons huis woont. We maken een praatje over het verleden. De oudere vrouw weet nog wel van de Meters. Dan vraag ik of er nog een Storteboom woont, met een knikje naar de enorm uitgebreide kippenslachterij, achter de huizen. ‘Je kwam toch van die kant rijden? De man die je daar in de tuin zag werken, dat is een Storteboom.’ Mijn hart springt op en ik bedank de dames: ’Dan ga ik daar even een praatje maken!’ Ik kijk nog snel even naar het huis van opoe en opa en zou daar zo naar binnen lopen, want ik weet zeker dat ze daar binnen bij de televisie zitten, zij met een breiwerkje en hij met z’n pijp, en dat er achter het huis nog gewoon een huuske is, waar je ‘s nachts moet plassen. Mijn moeder zit er vast ook: ‘Wat moest je toch met de buurvrouw te praten?’

Ik steek de weg over en zoek even, maar daar staat de witharige, rijzige man de bladeren op te vegen. Zijn vrouw is er ook doende. ‘Bent u een Storteboom?’ ‘Jazeker,’ zegt hij, ietwat verwonderd. In een flits bedenk ik dat hij hier zijn hele leven gewoond heeft en dat hij op mij lijkt, als een broer. ’Dan zijn we familie,‘ zeg ik, ‘kent u de Meters nog, die aan de overkant woonden?’ ‘Oom Wobbe en tante Baukje?’ zegt hij tot mijn verrassing, ‘Jazeker ken ik die! Maar die zijn allang vort!’ Hij bedoelt dat ze allang overleden zijn, maar ik doe alsof Gronings voor mij gesneden koek is en bevestig wat hij zegt: ’Ja, die zijn al even vort. Bent u een neef van de Meters?’ ‘Een achterneef denk ik. Ik ben een kleinzoon van Roelf Storteboom, dat is een broer van tante Baukje.’ ‘Ik geloof mijn oren niet maar ik sta hier dus met een volbloed achterneef te praten.’  Zijn vrouw komt er nu ook bij staan. ‘We zijn familie,’ begroet ik haar terwijl ik naar haar man knik. ‘Verre,’ ontkracht hij mijn enthousiasme, maar dat geeft niet. ‘Hoe oud bent u?’ vraag ik. ‘Ik ben 72,’ zegt hij, na enig nadenken. ‘Ik ben 67,’ zeg ik, ‘we zijn generatiegenoten. Heeft u ook op de kippenslachterij gewerkt?’ Het blijkt dat hij daar zijn hele leven gewerkt heeft en dat het bedrijf onlangs is overgenomen door een Engelse holding. Op mijn vraag of hij denkt dat ik er nog binnenkom, schudt hij beslist het hoofd: ‘Ik kom er zelf al niet meer in zonder goede reden.’ We kletsen nog wat na en dan nemen we afscheid.

Ik loop langs de kippenslachterij maar het ziet er uit als een onneembare vesting. Zestig jaar geleden liep ik hier als zevenjarige zo naar binnen. De kippen zitten in grote manden en worden een voor een aan hun poten hoog aan een lopende lijn gehangen, waarna ze worden geëlektrocuteerd. Aan de ander kant komen ze er als verpakte kippenboutjes weer uit. Het is een fenomenaal gezicht en terwijl ik sta te kijken ontsnapt een van de kippen aan de handen van een medewerker. Hij rent achter de kip aan, vangt haar onder een tafel en draait met een soepele beweging de kop eraf, alsof hij een dweil uitwringt. Dan zet hij de kip vlak voor mijn voeten op de grond. De kip zonder kop rent in het rond, veel langer dan ik dacht dat ze dat zou kunnen, en ploft dan neer. De jongen raapt haar weer op en hangt haar aan een haak van de lopende bandlijn, waar ze onnodig geëlektrocuteerd wordt en verdwijnt in de productie. Iemand zal haar eten. Ik ben het nooit vergeten. Nu is alles hermetisch afgesloten en ik zie zelfs geen ingang, alleen een klein bord met de naam Storteboom 2 Sisters Food Group. Daaronder: Ingang/entree 200 M. en een pijltje naar rechts, maar daar staat het huis van opa en opoe dus misschien stellen ze ongenood bezoek niet erg op prijs.

Ik stap weer in de Volvo en rij naar de christelijk gereformeerde kerk aan de provinciale weg, die recht tegenover de kippenslachterij begint. Het is maar een kort stukje, herinner ik mij. Hier ben ik een paar keer mee naar de kerk geweest. In deze kerk is opa op zijn tachtigste gedoopt en heeft hij tegelijk belijdenis gedaan. Er staan wat moderne borden van hoop aan de weg, maar de kerk is nog hetzelfde. Alleen is het grind vervangen door bestrating. En terwijl ik wegrijd kijk ik nog een keer naar binnen bij het huisje van opa en opoe, waar ik aan tafel zit om alles op te schrijven.

Ate O. Vegter, 3 maart 2021

Even naar Amersfoort:
www.atevegter.wordpress.com/86

3 Comments

  1. Ontzettend leuk te lezen, en wij zijn benieuwd hoe do familieband loopt. Wij wonen in Maple Ridge, BC, Canada. Mijn man is een zoon van Roelf Storteboom, dus het het moet familie zijn.

    Geliked door 1 persoon

    1. Roelf Storteboom was een broer van Baukje Storteboom, mijn oma. De man waar ik mee sprak is een kleinzoon van Roelf, hij heet Wim. Hoe heet je man? Wij zijn ook achterneven.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s