2214 Op de Euromast

We liepen de hal van de Euromast binnen. Ik was hier nog nooit geweest. Alleen bij de opening was ik er met mijn vader geweest, maar toen stond er een grote feestelijke menigte omheen, zodat het onmogelijk was om zelfs maar in de buurt te komen. ‘Gaan we met de trap of met de lift,’ vroeg mijn vader lachend, terwijl hij naar de lift liep en het knopje indrukte. ‘Pa, ze hebben echt geen trap hier, hoor. Dat is veel te hoog. Er is alleen een lift, dat snapt iedereen.’
De portier, die ons binnen had gelaten, draaide zich nu een kwartslag om en keek mij scherp, maar vriendelijk aan: ‘Nou jongeman, dan moet ik je toch teleurstellen, of misschien wel verblijden, want er is hier wel degelijk een trap. Je had het maar hoeven te vragen. De trap heeft 589 treden, maar is helaas niet toegankelijk voor het publiek. Het is zogezegd de nooduitgang voor het restaurant.’ Hier aarzelde hij even, boog zich naar mij toe en zei op zachtere toon: ‘We hebben hem nog maar twee keer gebruikt. Eén keer omdat de lift vastzat en één keer hebben we een trappenloopwedstrijd gehouden voor het personeel. Dat was wel heel grappig, maar dat was eigenlijk nog voor de officiële opening, dus dat telt niet. Ga nu maar gauw, de lift is er.’
Ik draaide mij om en zag de liftdeuren openschuiven. Mijn vader liet eerst oom Ab en tante Siets naar binnen gaan, toen mijn moeder en mijn broertje. Hij bleef in deur staan en wenkte mij. Ik schoot naar binnen en wachtte tot de deuren zich zouden sluiten. Op het laatste moment kwam er nog een jong stelletje dat naar binnen stapte, maar toen sloten de deuren zich echt en gingen we naar boven. De lift maakte aanzienlijk meer vaart dan ik gewend was van de liften in Schiebroek. Mijn maag drukte samen en tante Siets onderdrukte met moeite een gilletje. Wat lacherig merkten we dat de snelheid al weer afnam. We waren nu bij de Brug, dat is die rare uitbouw halverwege, waar het jonge stel uitstapte. De deuren sloten weer geruisloos en opnieuw ging het harder dan ik dacht naar boven. Daar stapten we opgewonden en nieuwsgierig naar buiten, overrompeld door het licht en het uitzicht. We liepen het restaurant in maar onze blik werd naar buiten getrokken, over de stad.
‘Zullen we eerst even boven kijken, op de platform?’ stelde oom Ab voor, terwijl hij op een plattegrondje keek. Zijn Nederlands was zo te horen toch al aardig besmet in de tijd dat ze nu in Canada woonden. Hij brouwde behoorlijk en het klonk ook veel zangeriger dan we hier gewend waren. Ik vond het wel mooi en ik bedacht dat ik straks bij het eten wel naast hem wilde zitten om met hem te praten. Hoe doe je at school boy, zou hij dan misschien wel vragen. Hij wist kennelijk hoe het hier in elkaar stak, want hij liep naar de trap verderop alsof hij hier al jaren kwam, tante Siets aan de arm meevoerend en de anderen uitnodigend met zijn ogen. Zo liepen we in ganzenpas de trap op.

Op de trap versnelde ik mijn pas en ging ik naast mijn vader lopen. Hij was al hijgend met oom Ab in gesprek over Canada, maar stokte toen we boven aankwamen op het platform. Het uitzicht was adembenemend, zeker in combinatie met de trap. Langzaam liepen we naar de balustrade. Ook mijn moeder en tante Siets hielden hun mond dicht, wat ik gedurende dit bezoek nog niet veel had meegemaakt. Ze hadden elkaar zo zoveel te vertellen, na al die jaren, maar nu keken ze toch hun ogen uit. De balustrade was hoog. Kennelijk is het niet de bedoeling dat je er overheen klimt en naar beneden springt. Dat zou ook geen goede indruk maken. Onderaan de balustrade was net als bij de bar van een café een buis, waar ik op ging staan en zo kon ik ook goed naar beneden kijken.
‘Kijk,’ zei mijn vader tegen oom Ab, ‘daar is de ingang van de Maastunnel. Dat is wel de oudste tunnel van Nederland, gebouwd in de oorlog. En zie je dat gebouw? Dat is de ingang van de voetgangerstunnel. Ze hebben aparte tunnels gebouwd voor voetgangers en fietsers, vind je dat niet bijzonder?’ ‘Het is prachtig om zo’n mooi uitzicht te hebben. En jullie wonen er vlakbij! Hoe vaak ga je hier naartoe?’ ‘Het is vandaag de eerste keer dat we er op zijn,’ zei ik, blij dat hij een vraag stelde waarop ik het antwoord wist.
‘O boy, maar dan moet je dat vaker doen! Het is zo mooi. En het weer is ook prachtig,’ zei hij en terwijl hij zich weer tot mijn vader wendde: ‘die mazzel hebben we natuurlijk wel vandaag.’ Hij had gelijk. Het was prachtig weer die dag en de zon scheen volop en in de diepte toverde zij talloze schitteringen tevoorschijn alsof de stad met diamanten bezet was. We hadden geen betere dag kunnen uitkiezen.
‘Kijk, oom Ab, daar is de Parkkade! Daar komt Sinterklaas altijd aan in Rotterdam!’ Ik wees in de diepte vrij recht onder ons waar het ook vandaag een drukte van belang was, maar van de stoomboot was in de zomer natuurlijk geen spoor te bekennen. Het was wel een vreemd gevoel om hier op zo’n heel andere tijd te zijn. Ik was hier jaar na jaar in november geweest en had nooit gezien hoe mooi het hier was in de zomer.
‘Kijk,’ zei mijn vader tegen mij, ‘herken je dat nog? Daar zijn we laatst nog geweest.’ ‘Wat bedoelt u? Welk gebouw?’ ‘Dat grote gebouw daar, dat een beetje naar voren uitsteekt uit dat lange gebouw.’ ‘O, dat is de Belastingen,’ zei ik teleurgesteld. ‘Ja,’ zei mijn vader nu triomfantelijk tegen oom Ab, ‘dat is de Plukjekaalstraat. Hij heet eigenlijk de Puntegaalstraat, maar niemand noemt hem zo omdat de Belastingen daar zit. Nou die jongens weten je altijd wel te vinden, dat weet iedereen.’ Oom Ab moest nu ook lachen.
Op dat moment kwam mijn broertje eraan: ‘Mama vraagt of we naar binnen gaan. Ze heeft zin in koffie.’ ‘Dat is een goed plan, zeg dat we eraan komen,’ zei mijn vader. Mijn broertje rende terug naar mijn moeder en tante Siets die kennelijk aan de andere kant van het platform stonden. Ik liep met mijn vader en oom Ab ook die kant op, vlak voor hen uit.
‘Dat is nog een reden om naar Canada te komen, Derk. Die belastingen. Ik begrijp niet dat je zoveel belasting moet betalen in dit kouwe kikkerland. Dat doe jij toch ook niet voor je plezier? Je koopt er toch liever een nieuwe car voor?’
‘Ja, ja,’ mompelde mijn vader nu, ‘maar Ab, dat is allemaal nog niet zo gemakkelijk om de boel hier achter te laten en zomaar in te schepen naar Canada.’
‘I did it! So you can do it too! Het is echt simpel. Je moet de beslissing nemen. Dat is all.’
Ik geloofde mijn oren niet! Die oom Ab zal pa toch niet bepraten om naar Canada te gaan! Ja, dat doet ie wel, waar we allemaal bijstaan. Ik moet er niet aan denken. En met een ongerust gevoel bleef ik angstvallig dicht bij hen in de buurt om maar niets van het gesprek te missen, terwijl we door de zacht openzoemende deuren naar binnen gingen, naar het restaurant. Het was nog mooi weer, maar in mijn hoofd stapelden de wolken zich op.

Mijn moeder en tante Siets stonden in de ingang van het restaurant te wachten, druk in gesprek. Natuurlijk, die hadden wel heel wat af te kletsen. Mijn moeder kende tante Siets al sinds haar jeugd, al voordat ze mijn vader kende. Ze had het vreselijk gevonden dat zij naar Canada waren geëmigreerd, nu al weer jaren geleden. Ik vond het ook erg, want ik merkte dat zij heel goed met tante Siets overweg kon en mijn vader en oom Ab, of Albert zoals hij eigenlijk heette, ook. En met hen erbij deden ze dan ook nog leuke dingen. Maar dat was misschien alleen zo, juist omdat ze nu helemaal uit Canada hier op bezoek kwamen.
‘Wat sta je daar te dromen, jongen,’ zei mijn moeder plotseling vanuit het niets, ‘Schiet eens op, we gaan naar binnen. Of moet je nog plassen? Dan moet je nu naar de wc, want we gaan direct aan tafel.’ Ik hoefde eigenlijk niet te plassen, maar greep de gelegenheid toch aan om even weg te zijn van dit gezelschap, waarin iedereen het maar klakkeloos over Canada had. Alsof je even naar de buren gaat een kopje thee drinken.
Op de wc’s was het stil. Met dit prachtige weer wilde niemand langer dan nodig in deze kille betegelde ruimte blijven. Ik vond het wel prettig om even alleen te zijn, al hoefde ik niet heel erg. Ik nam ruim de tijd om mijn handen te wassen en keek naar mijzelf in de onvermijdelijke spiegel. Mijn zwarte krullen begonnen al weer wat langer te worden. Ik zou nu elke dag naar de kapper op het Bergpolderplein gestuurd kunnen worden. Ik pakte mijn portemonnee en keek op de knipkaart. Er zaten nog drie geldige knipbeurten op. Ik gooide de knipkaart zonder nadenken in de prullenbak. Wanneer ik een nieuwe kaart zou moeten kopen, stelde mijn moeder het knippen vast nog wat langer uit. Opgelucht streek ik nu door mijn haar. Ik grijnsde naar mijn eigen tronie. Mijn spiegelbeeld grijnsde afkeurend terug. Mijn tanden hielden moedig stand alhoewel hun aantal gering geworden was. Nu al, bedacht ik. Ze mochten volgens de Prediker pas uitvallen als je haar wit geworden was, maar mijn eigen tanden wisten daar niets van. Het was maar beter als ik mijn mond alleen maar gebruikte om te praten en te eten en verder zo weinig mogelijk zou lachen. Ik draaide mij om en liep weg van de spiegel. Bij de deur aarzelde ik. Ik liep terug, bukte en haalde de knipkaart uit de prullenbak, streek hem glad en stopte hem terug in mijn portemonnee. Ik kan ook gewoon zéggen dat ik hem kwijt ben, bedacht ik in een oogwenk, dat is net zo slecht. En ik bedacht dat mijn geweten net zo bedorven was als mijn tanden en dat het maar beter was als de hele boel getrokken zou worden, als een melkgebit en dat alles opnieuw zou kunnen beginnen, wat nog niet mee zou vallen, want immers is er niemand die goed doet, zelfs niet één, staat geschreven. Ik waste mijn handen nog maar een keer en liep nu naar buiten, waar ik onverwacht bijna tegen mijn vader opbotste:
‘Hé, Binkie, waar blijf je, we zitten bij het raam. Ga maar gauw naar binnen. Ik kom er zo aan.’ Zonder op een reactie van mij te wachten verdween hij in de wc. Ik liep terug naar binnen het restaurant in. De aanwijzing we zitten bij het raam was wel nuttig in dit ronde restaurant op honderd meter hoogte, waar alle tafels langs het raam gerangschikt stonden. Het hele gezelschap zat even verderop gezellig met elkaar in gesprek. Toen mijn broertje mij zag, begon hij heftig te wenken, waardoor ik mijn pas nog iets versnelde en met een gevoel van haast uiteindelijk op de lege stoel tussen hem en mijn moeder neerplofte.
‘Wil je bij het raam zitten,’ vroeg oom Ab opgewekt, maar ik schudde mijn hoofd. Ik had even geen zin in nog meer Canadese avonturen en knikte naar mijn broertje, ga jij maar. Ik schikte mijn stoel zodanig dat ik nog dichter bij mijn moeder zat. Ik liet mijn hoofd zakken en kroop tegen haar aan en ik bedacht dat ik het beste maar gewoon naar de kapper zou kunnen gaan, wanneer ze dat zou vragen. Dan zou ik haar nog het minste verdriet doen. Ik voelde het koude staal van de tondeuse al in mijn nek en ik wist niet meer waarom kort haar beter was dan lang.

‘Zeg Albert,’ zei mijn moeder, ‘ik heb het er net over met Siets, dat jullie zo goed geboerd hebben in Canada. Dat is toch wel een felicitatie waard!’ Ik voelde hoe ze vlak voor ze sprak iets meer rechtop ging zitten en wat nadrukkelijker inademde en ik drukte mij nog meer tegen haar aan zodat ik haar stem van binnen hoorde brommen in mijn oor. Typisch mijn moeder om na al die jaren toch nog steeds Albert te zeggen, terwijl iedereen Ab zegt, maar wat ze zei was zeker voor mijn moeder een opmerking die oom Ab in zijn zak kon steken. Ik draaide mijn hoofd ietsje zodat ik zijn reactie kon zien. Zijn ogen lichtten op en hij lachte toen hij zei:
‘Ja, wij mogen niet klagen, al zeg ik het zelf. De goede God heeft ons daar niet in de steek gelaten.’
‘Wat doet u dan in Canada, oom,’ vroeg mijn broertje nu, wiens belangstelling ook gewekt was.
‘Och jongen, wij zitten in de landbouwmachines en er is geen groter land dan Canada, zo die combines, zo noemen wij ze, vliegen de deur uit.’
‘Rusland is groter,’ zei ik, terwijl ik hem aankeek en mijn hoofd zich vulde met grote, gele, vliegende combines die ik vanuit een enorme schuur het luchtruim zag kiezen boven eindeloze graanvelden. Oom Ab keek mij even getroffen aan, niet boos, maar eerder afgeleid: ‘Ja jongen, Rusland is groter natuurlijk, maar wij spreken geen Russisch, hè. Canada is het grootste land waar de mensen ons verstaan.’ En tegen mijn moeder: ‘Je hebt slimme jongens, ik moet opletten wat ik zeg.’
Mijn moeder glimlachte en wilde wat zeggen, maar mijn broertje was haar voor: ‘Heeft u zelf ook veel land en personeel en een grote schuur en zo, oom?’
‘Hold on boy, niet teveel vragen tegelijk. Well, we hebben we een paar jongens rondlopen. Als je wat ouder was, zou je zo bij ons kunnen beginnen en ik heb wel een aardig stukje land, ja. Als ik naar buiten kijk is alles tot de horizon van ons. Maar dat is meer een oefenveldje, to practice, to show de combines, hoe ze werken en zo hè.’
Op dat moment kwam mijn vader terug van de wc: ‘Ik heb even koffie besteld bij de bar en voor jullie limonade, boys.’ Hij sprak het woord boys met nadruk uit en terwijl hij ging zitten knipoogde hij naar oom Ab: ‘Heb je ze al meegesleept in je avonturen?’ ‘Derk, je hebt prachtige jongens, slim en nieuwsgierig, dat heb ik wel gemerkt. Zij zouden in Canada een heel goede kans maken. Voor hen hoef je het niet te laten. ‘Sakkerloot nee, die gasten zouden zich wel redden, maar ik voor mij, ik denk dat wij maar beter hier blijven, is het niet, moe?’ Mijn moeder zuchtte voelbaar: ‘We zijn te oud, Albert. De kinderen zitten op school en zijn gehecht aan hun leventje hier.’ Ik drukte mij nog steviger tegen mijn moeder aan. Ze had het niet beter kunnen zeggen: ‘Misschien later, weet je, wanneer ze zelf de keuze maken. Het is wel een land met veel toekomst. Maar jullie hebt ook veel verloren. Dat zou ik allemaal niet op kunnen brengen.’ ‘Dat is waar,’ bevestigde tante Siets nu: ‘Het gaat ons prima, maar het is niet altijd gemakkelijk geweest.’
‘Mag ik wel een keer komen logeren,’ vroeg mijn broertje nu, terwijl hij zijn ogen naar buiten liet dwalen, ‘ik wil die horizon wel een keer zien daar.’
Ik kon me eerlijk gezegd niet voorstellen waarom ik zover weg zou willen. Ik vond Sappemeer al een dagreis en verder weg leek mij niet nodig, maar het vooruitzicht dat mijn broertje een zomer naar Canada zou gaan beloofde weer hele andere mogelijkheden.

‘En wil het uitzicht een beetje bevallen dames? En heren natuurlijk ook!’ De ober hield het blad mooi in evenwicht terwijl hij de koffie en de limonade op tafel neerzette: ‘Als u hier ook de lunch wilt gebruiken, dan heb ik nog een aantrekkelijk voorstel. Een mooie Eurosalade met kaas en biefstukreepjes en…’ Mijn vader bedankte hem vriendelijk en wimpelde hem gedecideerd af: ‘Dat is heel aangenaam jongeman, maar we willen straks eerst nog even een rondje maken op niveau!’ ‘Pa, geen grapjes meer over de hoogte, please!’ ‘Zoals u wenst, meneer. Geniet u ervan!’ De ober draaide zich om en mijn vader pakte zijn kopje koffie: ‘Mag je een toost uitbrengen met koffie? Ach, we doen het gewoon, op Canada en Rotterdam en onze hoge vriendschap, jongens, boys! Proost!’

Na de koffie gingen we weer naar buiten. Er was nog genoeg te zien en het was sowieso een sensatie om zo hoog over de stad uit te kijken. Het was echt het hoogste punt en je keek overal ruim overheen, al waren er al wel mensen die zeiden dat dat niet lang meer zou duren. Rotterdam was de stad waar voortdurend gebouwd werd en je kon eigenlijk niet door de stad fietsen zonder heigeluiden te horen. Overal verschenen nieuwe kantoren, het een nog hoger dan het andere en ooit zou er wel een gebouw komen dat hoger was dan de Euromast. Vandaag hadden wij daar allemaal nog geen last van. Ik was bij het naar buiten lopen steeds bij mijn moeder in de buurt gebleven en dus ook bij tante Siets. Ik vroeg haar of zei wist wat vroeger, voor de oorlog, het hoogste gebouw van Rotterdam was, hoe dat heette: ‘Och jongen, hoe kun je nou denken dat ik dat zou weten. Ik weet niet eens het hoogste gebouw van ná de oorlog!’ ‘Tante Siets, u stáát op het hoogste gebouw van na de oorlog. Dat is natuurlijk de Euromast. Daarom zijn we hier vandaag, tante!’ Het was misschien mijn felheid of de ongelovige uitdrukking op mijn gezicht, maar tante Siets en mijn moeder moesten nu opeens heel hartelijk lachen: ‘Nou heb je ons mooi te pakken. Dat ik daar niet aan gedacht heb! Wat ben je toch een doerak, met al je vragen.’
‘Hij is 101 meter hoog en de hoogste toren van Rotterdam natuurlijk, maar de Dom in Utrecht is nog hoger.’ ‘Hoe weet je dat toch allemaal, kleine wijsneus?’ ‘Uit de folder, makkelijk zat. Ze liggen bij de ingang. Zal ik er voor u ook een pakken?’
‘Nee jongen, dat hoeft echt niet. Als jij het ons vertelt dan is dat voor mij genoeg. Maar wat was nou de hoogste toren van voor de oorlog? Dat heb je nog niet verteld.’
‘Dat is een gebouw aan de Oude Haven en het zal u verbazen hoe het heet.’ ‘Hou ons niet langer in spanning.’ ‘Het heet het Witte Huis. Is dat niet grappig, net als in…’ ‘Net als in de States, ja, maar wij zijn niet van de States hè, dat weet je hoop ik toch wel. Canada is veel mooier en ruimer dat de hele Verenigde Staten bij elkaar. Maar het is een mooi verhaal. Heb je dat ook uit de folder?’
Ik knikte, maar was teleurgesteld over haar reactie. Ik had verwacht dat ze het veel leuker zou vinden. Ze wilde vast niet meer weten dat het Witte Huis in Rotterdam elf verdiepingen had en ooit het hoogste gebouw van Europa was geweest en dat ze verwachtten dat binnen een paar jaar de Euromast niet meer het hoogste punt zou zijn en dat er plannen lagen om er dan nog een toren boven op te zetten, want dat stond allemaal in die stomme folder. Ze kletsten al weer samen over de kinderen en school en hoe makkelijk het was in Canada om een nanny te krijgen voor dit en voor dat en mijn moeder luisterde en knikte en ik kon aan haar ogen wel zien dat ze heel veel van tante Siets hield, want zo keek ze ook vaak als ze een klein baby’tje op haar arm hield. En ik liet hen maar samen en liep terug naar de andere kant, waar ik ver beneden mij kon zien hoe de auto’s in sneltreinvaart de Maastunnel indoken.

Even later kwam mijn broertje bij mij staan: ‘Wat doe je?’ ‘Ik tel Citroëns.’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Ik tel alle Citroëns die de tunnel ingaan. Ik heb nu vier Eendjes en zeven DS-en en een Ami.’ ‘Doe normaal, man, dat ga je toch niet lopen tellen.’ ‘Jawel, leid me niet af. Kijk, weer een DS, die zwarte, die zie je niet zo vaak.’ ‘Eerlijk waar, jij bent gek. Tel je ook Opels en Peugeots?’ ‘Nee, natuurlijk niet! Waarom zou ik die tellen?’ ‘Waarom zou je Citroëns tellen?’ ‘Omdat wij ook een Eend hebben, dat snap je toch wel. Maar ik heb nog geen grijze gezien, zoals die van ons. Wat kom je doen? Kijk, nog een Ami 6.’ ‘Hoe zie je dat het een 6 is?’ ‘Aan de achterruit, die loopt naar binnen. Dat zie je verder nooit. Bij de 8 loopt-ie gewoon naar achteren, net als bij alle andere auto’s. Daarom is de Ami 6 een hele bijzondere auto en daarom tel ik die ook. Maar Eendjes had ik wel meer verwacht.
‘Ga je mee naar Canada?’ Ik stopte onmiddellijk met tellen en draaide mij om: ‘Hoe bedoel je, ga je mee? Wie gaat er hier naar Canada? Jij toch niet hè?’ ‘Nou misschien niet, maar misschien ook wel.’ ‘Doe niet zo achterlijk. Je hebt helemaal geen geld.’ ‘Nee, maar oom Ab staat wel mooi met pa te kletsen. Ma wil het niet maar pa is nog niet zo ver dat hij helemaal niet wil en oom Ab kan het mooi vertellen. Ze praten ook over ons. Hij wil wel iets van de vlucht betalen als wij daar komen werken in die schuur van hem.’
‘Allemachtig, nou mij niet gezien hoor. Ik ga echt never nooit naar Canada. Jij wel dan?’ ‘Teun, luister jongen. Dit is de kans van je leven! De wijde wereld in, al is het maar voor zes weken! Je bent gek als je het niet doet!’
‘Ik voel er niks voor. Ik wil weer naar Sappemeer van de zomer. Dat is mij ver genoeg.’ ‘Wat moet je nou in Sappemeer? Alsof daar wat te beleven valt.’ ‘Kijk, nou stel je de goeie vraag: Wat moet je nou in Sappemeer? Wie is er geboren in Sappemeer?’ ‘Pa.’ ‘En wie zijn er getrouwd in Sappemeer?’ ‘Pa en ma natuurlijk.’ ‘Weet je hoe ze dat noemen tegenwoordig? Dat zijn je roots, je wortels. Daar komen wij vandaan. Daarom wil ik terug. Ik wil Gronings horen om mij heen en geen Engels. En met een beetje goede wil ga ik er later wonen ook, in een mooi klein plaatsje en niet in een grote stad. Want ik hou toevallig veel meer van een kleine plaats waar je iedereen kent dan van zo’n immens groot land als Canada. Maar als jij in Canada wil wonen, prima natuurlijk, ze hebben ruimte zat, toch?’
‘Oké, maar dat mag je dan wel tegen pa zeggen, want anders regelt hij van alles voordat jij het in de gaten hebt. Je weet hoe hij is.’ Ik begon hem nu toch wel een beetje te knijpen, maar ik had niet het idee dat mijn vader zomaar voor ons alle twee een ticket naar Canada ging betalen. Hij zou maar wat blij zijn als  hij hoorde dat ik gewoon weer naar Sappemeer wilde, net als vorig jaar. Met een beetje goeie wil zou hij mij nog brengen ook. Dat kun je bij Canada wel vergeten. Maar ik was er niet helemaal gerust op, al wist ik bijna zeker dat mijn moeder zich nooit zou laten overhalen, daarvoor was ze veel te uitgesproken geweest en als zij iets niet wil, dan kun je hoog en laag springen maar dan gaat het mooi niet gebeuren. En voor het eerst zag ik ook de voordelen van de vastbeslotenheid van mijn moeder, want daar had ik vaak last van, maar nu leek het gunstig uit te pakken. Allemachtig, we zouden even naar de Euromast, maar nu heeft iedereen het alleen nog maar over Canada. Dat moet nu afgelopen zijn. Nou ja, het zal zo’n vaart niet lopen: ‘Zullen we naar binnen gaan? Ik lust eerlijk gezegd wel wat.’ ‘Ja, laten we die ouwelui opzoeken.’ ‘Maar jij vindt het niet erg als ik wel ga en pa daarvoor betaalt?’ ‘Nee, wat kan mij dat schelen. Als jij het leuk vindt, dan is dat toch tof? Je moet je kansen pakken, in plaats van mij over te halen.’ ‘Ja, zo kun je het ook zien.’ ‘Zo zie ik het. Kijk! Een grijze Eend!’

We liepen naar de ingang. Even verderop zagen we de anderen nog bij de reling staan, mijn vader wijzend naar twee grote oranje kranen die in de haven aan het werk waren. Als je er wat langer naar keek, leek het net een ballet in vertraging. Ik vond het fascinerend om te zien, maar wilde ook graag naar het restaurant om wat te eten. Ik trok hem aan zijn jasje: ‘Ja, Binkie, ik kom er aan,’ zei hij, om vervolgens onverstoorbaar verder te vertellen over de geheimen van het werk in de haven, maar ook mijn moeder was het wel een beetje zat en bewoog langzaam met tante Siets naar de schuifdeuren, terwijl ze een betekenisvolle blik naar mijn vader wierp. Hier reageerde hij sterker op dan op mijn gesjor en met een ‘Kom op, jongens’ loodste hij uiteindelijk toch iedereen naar binnen.
De ober met de aantrekkelijke Eurosalade was er niet meer. In plaats daarvan kwam er een aardig vlot meisje de lunchkaart brengen. We bestelden uitsmijters en koffie en kroketten en wijn en limonade: ‘Zo, dat glijdt er soepel in,’ constateerde mijn vader, toen de wijn geserveerd was en ze opnieuw een toost hadden uitgebracht: ‘Sakkerloot, daar was ik wel even aan toe zeg, na al die hoogstaande omzwervingen,’ zei hij met een knipoog naar ons, maar ik was te zeer verdiept in de verschillen tussen Canada en Sappemeer om mij nog te storen aan zijn hoogtegrapjes, maar niet snel daarna kwam het verslag van zijn gesprek met oom Ab: ‘Ja, jongens, ik heb gesproken met onze oom Ab, hier in den vleze aanwezig, om het maar zo te zeggen, niet waar Ab?’ ‘Jazeker, ik ben er helemaal of course.’ ‘Zoals ik zei, hier aanwezig en de geest heeft gesproken, sakkerloot, jongens ik hou je niet langer in spanning. Als alles naar wens verloopt en jullie je best doen op school dan mogen jullie van de zomer in de vakantie naar Canada.’ Mijn broer sprong een gat in de lucht en vloog mijn vader om de hals. Mijn moeder draaide zich verbaasd naar mij om: ‘Ben jij daar niet blij mee, Teun?’ Ze sloeg de spijker op z’n kop: ‘Nee, ik ga liever naar Sappemeer. Ik wil niet zo ver weg. Als het niet hoeft.’ ‘Nee maar, onze wereldreiziger wordt liever Minister van Binnenlandse Zaken,’ zei mijn vader met een lichte spot: ‘Maar jongen, het hoeft niet natuurlijk, want het kost geld genoeg, maar besef je wel waar je nee tegen zegt?’ ‘Tegen grote gele vliegende combines,’ zei ik en toen moest ik zelf ook lachen, want het klonk bespottelijk, maar het was ook de spanning die losbrak: ‘Ik heb er gewoon geen zin in. Ik ben liever op de kwekerij. En ik hou niet van vliegen.’ Dat laatste was niet waar, maar het klonk wel als een goed argument. Juist het vliegen vond ik wel leuk maar zes weken daar, dat vond ik veel te lang. Ik kreeg al heimwee als de preek te lang duurde bij wijze van spreken.
‘Wel heb ik ooit. Meneer is liever op de kwekerij dan dat hij een wereldaanbod aanneemt. Nou ja, je hoeft niet natuurlijk. Je broer kan ook heel goed alleen op avontuur, toch?’ Hij draaide zich naar mijn broertje die heftig knikte en al bijna bij oom Ab op schoot zat. Hij wilde maar al te graag, daar bestond geen misverstand over en eerlijk gezegd voelde ik me plotseling een spelbreker, maar ook heel erg opgelucht omdat ik direct gezegd had dat ik het niks vond in plaats van te zeggen dat ik het wel leuk vond en daar nog dagen mee rond te lopen, tot er uiteindelijk uit zou komen dat ik toch niet wilde, zoals ik dat zo vaak deed uit angst om de waarheid te zeggen. Nu was iedereen uitgelaten en ik opgelucht en dat leek mij een prima uitgangspunt voor de lunch die ik inmiddels vanuit een ooghoek het beeld zag binnenschuiven, waardoor ieders aandacht naar het eten trok en de rust in zekere zin over de tafel neerdaalde als een vers gesteven ontbijtlaken. Het waren heerlijke kroketten en ook het stukje uitsmijter dat ik van mijn vader proefde was niet te versmaden, dat moet gezegd. Ik wist wel zeker dat ze in Canada geen kroketten hadden, maar ik zou er niet over beginnen.

Onder het eten bedacht ik dat er nog één ding was wat ik moest onderzoeken, hier op de Euromast. Ik zou er dagenlang spijt van hebben als ik dat niet zou doen. Na de aanvankelijke rust was het tafelgesprek toch weer op gang gekomen en te midden van alle gezelligheid merkte niemand dat ik stilletjes van mijn stoel kroop, zogenaamd om naar de wc te gaan, als iemand er al naar zou vragen. Maar ik ging niet naar de wc. Ik moest op mijn geheime missie. Ik moest het weten en het antwoord lag hier, ergens in de gangen van het kraaiennest van de Euromast. Ik liep zo gewoon mogelijk terwijl ik mijn ogen goed de kost gaf. Ik zag de deur naar de keuken, de wc’s, een soort bezemkast en een winkeltje, meer een loket eigenlijk, waar je souvenirs kon kopen. Mijn deur zag ik nog niet. Ik liep een krom lopende gang en in en terug. Ja, daar was-ie. Ik was er nota bene vlak langs gelopen, maar nu ik er van een afstand naartoe liep zag ik hem. Kon niet missen. NOODDEUR stond er in witte letters op een groen veld. Daaronder een witte sticker met een rode rand: Alleen openen bij calamiteiten. Deur staat op alarm. Dit moest de deur naar de trap zijn. Alsof mijn lichaam in de stroop hing liep ik er met vertraagde pas naartoe. Zo kon ik er zo lang mogelijk naar kijken zonder argwaan te wekken. Dat er alarm op de deur stond betekende dat hij open kon. Hij zou niet op slot zitten. Dat zou ook raar zijn, als de nooddeur op slot was. Dan zaten we gevangen als ratten in de val. Ik keek naar de deurklink en zag dat er in ieder geval wel een sleutelgat onder zat. Ik sloop er naartoe en probeerde door het sleutelgat te kijken.
‘Zeg, jongeman, waar zijn wij helemaal mee bezig?’ Ik schrok, schoot rechtop en draaide mij om. Een serieuze bewaker keek mij vragend in de ogen. ‘Is dit de trap?’ vroeg ik. ‘Nee vriend, dit is niet de trap. Zie jij een trap? Dit is de deur naar de nooduitgang, of liever, dit ís de nooduitgang. Daarachter is de trap en dat wist jij al voor dat je het vroeg, vriendelijke vriend.’ ‘Helemaal naar beneden?’ ‘Nee, tot halverwege, nou goed?! Kom weg bij die deur! Weet je wat er gebeurt als die deur ook maar per ongeluk open gaat? Dan gaat het alarm en dan moet iedereen z’n malse biefstukje en z’n glaasje wijn in de steek laten en onmiddellijk allemaal via de trap naar beneden. Het zou mijn dag grondig verpesten. Dat wil je toch niet? Ga naar de wc of desnoods je moeder pesten, maar laat die deur met rust.’ ‘Maar u kunt toch ook zeggen, dat het alleen maar een nieuwsgierig jongetje was en dat ze rustig verder kunnen eten.’ Even leek hij met stomheid geslagen. ‘Bent u wel eens op de trap geweest?’ Hij was te verbluft om te antwoorden, denk ik, stapte op mij af en greep mij stevig bij mijn arm: ‘Ik geloof dat wij deze deur nu voldoende besproken hebben, jongeman. Laat ik je hier niet meer zien.’ En met een ruk duwde hij mij in de richting van de wc’s, waar ik dan maar heen ging. Die deur lag kennelijk nogal gevoelig. Plotseling realiseerde ik mij dat hij hetzelfde uniform aanhad als de portier beneden, die mij over de trap verteld had. Die was in ieder geval een stuk vriendelijker. Misschien moesten ze wel om beurten boven en beneden werken. Ik zou het die ander dan moeten vragen, om even het alarm af te zetten bijvoorbeeld, maar de kans dat ik hier binnenkort nog een keer terug zou komen, leek mij amper groter dan nul. Er was geen kans om ooit via de trap naar beneden te gaan. Ik kon in ieder geval niet verzinnen hoe. Ik ging naar de wc, waste mijn handen, kamde mijn haar, grijnsde nog maar eens naar de spiegel en liep terug naar het restaurant. De bewaker stond nu te praten met de juffrouw van het winkeltje. Het was tijd om naar huis te gaan, bedacht ik, maar aan tafel was het gesprek nog in volle gang. Ze hadden me amper gemist.

Ik schoof ongemerkt weer op mijn stoel en keek naar buiten. Het was helder weer en ik kon zo ver kijken als het oog reikte. Misschien wel tot aan Den Haag, schatte ik. Maar liever keek ik naar de gebouwen dichtbij. Hoe lang het zou duren voordat nieuwe hoogbouw de Euromast had ingehaald, vond ik opeens geen interessante vraag meer. Ik wilde naar huis. Ik at de laatste restjes van mijn bord en keek de tafel rond. Mijn oom was in gesprek met mijn broertje over het werk van de combines, schat ik en mijn moeder was in gesprek met tante Siets, maar ik kon niet verstaan waar zij het over hadden, want ze zaten aan de andere kant en bovendien voerden ze het gesprek op gedempte toon, zodat ik vermoedde zodat ze het over vrouwenzaken hadden waar ik niks vanaf wist en ook geen belangstelling voor had. Mijn vader keek naar zijn glas, nam een slok en keek toen op zijn horloge, dat hij donderdag net had opgehaald had bij Huub Jansen, onze juwelier. Hij wreef even over het glas, keek om zich heen, keek naar de anderen zonder hun gesprekken te volgen en stak vervolgens zijn hand omhoog: ‘Koffie allemaal?’ Niemand reageerde in het bijzonder, hetgeen hij als een bevestiging opvatte. Het meisje meldde zich: ‘U wilt nog iets bestellen, meneer?’ ‘Jazeker jongedame, doe maar vier koffie en breng voor de jongens een colaatje mee. Dat hebben ze wel verdiend na zich zo’n lange dag met hun ouwelui verveeld te hebben.’ Hij keek ons even aan, of wij ook in bezwaar zouden gaan, maar ik vond het prima en mijn broertje had het amper gehoord. Het meisje draaide zich om en liep heupwiegend weg, waardoor mijn blik haar als vanzelf volgde, tot ze weer bij de bar was. Ze draaide om de bar heen, zette de kopjes klaar en schonk de koffie in. Vervolgens pakte ze twee colaatjes, zette alles op een blad en kwam direct weer onze kant op. Mijn vader maakte een praatje met haar terwijl ze de bestelling op tafel zette, waarbij ze steeds heel vriendelijk degene aankeek voor wie het bestemd was. Toen ze mij aankeek, voelde ik dat ik heftig begon te blozen, maar ik wilde toch niet wegkijken en zag dat ze blauwe ogen had met een zwart randje. ‘Kan ik zo gelijk met je afrekenen?’ vroeg mijn vader. Het meisje knikte en glimlachte: ‘Natuurlijk meneer, dat is hier zelfs de gewoonte. Ik ben zo bij u terug. Ik zal niet zeggen dat mijn vader bloosde, maar hij was toch even afgeleid. Toen herstelde hij zich en richtte hij zijn aandacht op de anderen: ‘Willen jullie hierna nog de stad in winkelen, of gaan we zo weer naar huis?’ Mijn moeder keek op en ontdekte nu pas de koffie: ‘Ik hoef de stad niet meer in. Laten we naar huis gaan. Dan wil ik na de thee met Siets nog even over de Kleiweg lopen.’
Hier kon iedereen mee instemmen en nadat we onze koffie en cola hadden opgedronken en mijn vader had afgerekend, stonden we op en liepen het restaurant uit naar de lift, die er al snel aankwam. En terwijl we nog een laatste blik naar buiten wierpen en ik ook nog zocht naar de bewaker, maar ik zag hem nergens, gingen we de lift in. De deuren sloten zich en precies op het moment dat ik beweging voelde begon ik te tellen. Het duurde exact dertig seconden, voordat de lift beneden was. Nu zou ik de snelheid kunnen uitrekenen, want het was immers precies 100 meter hoog, maar dan moest ik wel rekening houden met de tijd die het duurde om op gang te komen en af te remmen. We liepen naar buiten, naar de Parkkade, naar de grijze Eend van mijn vader en de blauwe huurauto van oom Ab en tante Siets.

Onderweg naar huis vroeg ik mij af of ik er wel goed aan gedaan had om het Canadese aanbod te weigeren. Vlak voordat ik bij mijn vader in de Eend zou stappen, liep ik naar mijn oom om te vragen of ik met hem mee naar huis mocht rijden. De huurauto was een grote Opel Kaptein en het leek mij niet verkeerd hier even in de kussens te kunnen wegzakken. Mijn oom had er geen bezwaar tegen en zo kon ik ze ook nog even uithoren over wat nou precies de bedoeling van zo’n reisje naar Canada. En ik kon ze de weg wijzen: ‘Als ik er nou spijt van krijg en toch nog naar Canada wil, mag ik dan volgend jaar in de zomer nog komen, tante Siets?’ ‘Nou Ab, wat zeg jij daarvan. Teun wil zich nu al bedenken. Weet dat je altijd welkom bent, Teun, wanneer je ook komt. Maar je vader heeft daar natuurlijk ook een stem in, of ga je eerst zelf sparen voor de vlucht?’ Ik verslikte me bijna bij het idee dat ik het ook nog zelf zou moeten betalen, maar zag toch wel mogelijkheden, mocht ik later alsnog naar hen toe willen. Ook oom Ab reageerde positief: ‘Ik begrijp het wel hoor, dat je niet zo een twee drie ja zegt tegen zo’n verre reis, want het is wel een big step, maar je zult er geen spijt van krijgen.’ ‘Maar moet ik dan niet eerst Engels leren?’ ‘Och, welnee, dat gaat vanzelf, als je d’r een keer bent.’ ‘Maar ik kom eigenlijk liever alleen, dan met z’n tweeën. Dus dan kom ik liever volgend jaar, als ik het durf. Want ik weet het echt nog niet. Niet echt tenminste. ‘O yes, maar daar komt de aap uit de mouw! Zo zeg je dat toch? Je wil niet samen met je little brother. Je wil alle ruimte voor jezelf, is het niet?’ Ik voelde mij opgelaten, maar ook opgelucht dat ik het gezegd had: ‘Ja, dat vinden jullie toch niet raar, hoop ik. O, ga hier maar linksaf, dat is sneller, dan rijden we via het tunneltracé. Dat is nog leuk ook.’ ‘Nou ik rij liever achter je vader aan. O, hij gaat ook links. Okay, that will do!’ We moesten wachten voor het verkeerslicht. ‘Dat zijn allemaal tunnels achter elkaar, dan rijden we zo langs Blijdorp.’ ‘Ah! De Zoo!’ ‘Yes Sir! En als we de andere kant op rijden dan duiken we bij de Euromast zo de Maastunnel in, wat we net van bovenaf gezien hebben.’
Inmiddels was oom Ab linksaf geslagen en achter mijn vader aan zoefden we door de tunnels. Hij moest zich inhouden, want de Eend ging niet zo snel als hij misschien wel wilde. We zouden nu in een kwartiertje thuis zijn. Ik hoefde mij geen zorgen te maken. Ik hoefde niet naar Canada en als ik straks na alle verhalen van mijn broertje toch nog spijt kreeg, kon ik er alsnog volgend jaar naartoe. Ik was blij dat ik bij hen in de auto was gestapt.

 

Ate Vegter, 30 juni 2021

www.atevegter.wordpress.com

 

3 Comments

  1. Mooi om het helemaal bij elkaar te zien Ate.
    Doe svp nog even een link voor de familie op WA. Great writing (and you are always welcome here – in Canada!).

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s