2401 Moeder

Ik heb Vivian Gornick uit. En ik voel een grote ontroering over de onmogelijkheid van dochter en moeder om elkaar te begrijpen, terwijl ze toch zoveel op elkaar lijken. En terwijl ik over al die intense gesprekken met haar moeder lees, verlang ik steeds meer naar wandelingen met mijn eigen moeder, ondanks de onoverbrugbare tijd en afstand en de bittere strijd, nee juist dankzij die pijnlijke en heftige discussies, waarin ze het wel nooit eens lijken te worden, groeit mijn heimwee naar gesprekken met mijn eigen moeder die nooit hebben plaatsgevonden op de talloze dagen die het immense verleden inmiddels telt waarop we samen zijn geweest en de kans hebben gehad. Mijn moeder die al haar tijd geeft aan haar gezin. Die alles wat ze heeft besteedt aan haar man en kinderen.

En ik bedenk dat ik nooit met mijn moeder gewandeld heb zonder doel. Altijd gaan we ergens heen, naar de kerk of naar de winkel of naar de markt en als we dan al samen gaan is het op de fiets of met de auto. Ik kan mij mijn moeder niet eens wandelend of lopend voorstellen, ja, van de auto naar de kerk en van de auto naar het graf van mijn vader, waar we soms op een zondagmiddag heengaan, waarbij mijn moeder er altijd voor zorgt dat we een emmertje met water meenemen zodat ik de grafsteen onder haar ogen kan schoonmaken, in plaats van dat ik haar kan observeren in haar eenvoudige, stille rouw, zoals ik me dat van te voren voorstel.

En ik herinner me de keer dat we samen op weg zijn naar het Sophia Kinderziekenhuis omdat er iets met mijn voorhuid en mijn eikel is, wat gelukkig allemaal loos alarm blijkt, wanneer de vrouwelijke arts er even naar gekeken heeft en alles met een simpele ingreep routinematig oplost, iets met een mesje en een kleine incisie. Wat zou ik me nog meer moeten herinneren?

Ik ben nog veel te jong om überhaupt ergens met mijn moeder over te praten, net als die keer dat ik bij haar achterop zit op weg naar de oogarts, waar ik in een donkere kamer steeds kleinere letters moet oplezen, terwijl hij met een scherp lichtje in mijn ogen kijkt, zoals dat gaat bij een oogarts. Ik moet stil zijn en me gedragen. Dan is het goed.

Ik denk aan de gesprekken die we jaren later hebben bij haar thuis aan de Wessel Gansfortweg in Rotterdam, als ik er toevallig eens in mijn eentje verzeild raak en we samen de lunch gebruiken, die door de bruine boterhammen, het bestek en het broodmandje nog zo angstvallig veel lijkt op al die broodmaaltijden van mijn vroegste jeugd die in een steeds donker wordend verleden lijkt weg te glijden.

En ik besef dat ik nooit meer met mijn moeder zal wandelen en praten, zoals Vivian Gornick dat zo luchtig in alle scherpte opdist en ik kan daar een eindeloos verdriet over opkloppen als de slagroom op mijn moeders appeltaart, maar ik kan me er ook heel goed in schikken en bij neerleggen, zolang mijn fantasie mij toestaat dat het altijd nog kan gebeuren zonder dat het ook per se hoeft te gebeuren. En ik bedenk dat ik met mijn moeder nog niet klaar ben. Dat ik tot aan mijn dood met haar kan wandelen en praten, wanneer ik maar wil.

Ate Vegter, 2 januari 2022

www.1001gedichten.wordpress.com

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s